Richtlijn 96/48/EG van de Raad van 23 juli 1996 betreffende de
interoperabiliteit van het transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem
Publicatieblad Nr. L 235 van 17/09/1996 blz. 0006 -
0024
RICHTLIJN 96/48/EG VAN DE RAAD van 23 juli 1996 betreffende de
interoperabiliteit van het transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid
op artikel 129 D, derde alinea, Gezien het voorstel van de Commissie (1), Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (2), Gezien het advies van het Comité van de Regio's (3), Volgens de procedure van artikel 189 C van het Verdrag (4), Overwegende dat, om de burgers van de Unie, de economische subjecten, alsmede
de regionale en lokale gemeenschappen in staat te stellen ten volle profijt te
trekken van de voordelen die aan de totstandbrenging van een ruimte zonder
binnengrenzen zijn verbonden, met name de onderlinge koppeling en de
interoperabiliteit van de nationale netten voor hoge-snelheidstreinen alsmede de
toegang tot deze netten dienen te worden bevorderd; Overwegende dat het richtplan voor een Europees net voor
hoge-snelheidstreinen is uitgewerkt door een werkgroep op hoog niveau,
samengesteld uit vertegenwoordigers van de regeringen van de Lid-Staten, van de
Europese spoorwegmaatschappijen en van de Europese spoorwegindustrie, die door
de Commissie is bijeengeroepen naar aanleiding van het door de Raad in zijn
resolutie van 4 en 5 december 1989 gedane verzoek; Overwegende dat de Commissie in december 1990 bij de Raad een mededeling
betreffende dit net voor hoge-snelheidstreinen heeft ingediend en dat de Raad in
zijn resolutie van 17 december 1990 (5) op deze mededeling positief heeft
gereageerd; Overwegende dat in artikel 129 C van het Verdrag is bepaald dat de
Gemeenschap alle maatregelen treft die nodig kunnen blijken om de
interoperabiliteit van de netten te verzekeren, met name op het gebied van de
harmonisatie van de technische normen; Overwegende dat de commerciële exploitatie van hoge-snelheidstreinen vereist
dat de infrastructuur en het rollend materieel optimaal op elkaar zijn
afgestemd; dat van deze afstemming de prestaties en de veiligheid, alsook de
kwaliteit en de kostprijs van de dienstverlening en inzonderheid ook de
interoperabiliteit van het transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem
afhankelijk zijn; Overwegende dat Richtlijn 91/440/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende
de ontwikkeling van de spoorwegen in de Gemeenschap (6) inhoudt dat de
spoorwegondernemingen in toenemende mate toegang tot de spoorwegnetten van de
Lid-Staten moeten hebben en dat daartoe dus interoperabiliteit van de
infrastructuur, de installaties en het rollend materieel noodzakelijk is; Overwegende dat de Lid-Staten voor de spoorwegnetten in het algemeen
verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de naleving van de regels inzake de
veiligheid, de gezondheid en de bescherming van de consument bij het ontwerp, de
aanleg, de ingebruikneming en de exploitatie van de netten; dat zij ook samen
met de plaatselijke autoriteiten verantwoordelijkheid dragen op het gebied van
grondgebruik, ruimtelijke ordening en milieubescherming; dat deze
verantwoordelijkheden een bijzondere relevantie hebben waar het netten voor
hoge-snelheidstreinen betreft; Overwegende dat krachtens Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985
betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere
projecten (7) een milieu-effectbeoordeling is vereist van de aanleg van
spoorwegen voor treinverkeer over lange afstand; Overwegende dat de nationale regelingen en de door de spoorwegmaatschappijen
gehanteerde interne regels en technische specificaties aanzienlijke verschillen
vertonen; dat deze nationale regelingen en interne regels gebaseerd zijn op
technieken die specifiek zijn voor de nationale industrie; dat daarin bijzondere
afmetingen en inrichtingen, alsmede speciale kenmerken worden voorgeschreven;
dat deze situatie met name verhindert dat hoge-snelheidstreinen onder goede
omstandigheden over het gehele grondgebied van de Gemeenschap kunnen rijden; Overwegende dat deze situatie gaandeweg tot zeer nauwe banden tussen de
nationale spoorwegindustrie en de nationale spoorwegmaatschappijen heeft geleid,
ten nadele van een daadwerkelijke openstelling van de markten; dat deze
industrie, wil zij haar concurrentievermogen op wereldschaal kunnen ontwikkelen,
over een open en op concurrentie gerichte Europese markt moet kunnen
beschikken; Overwegende dat dus voor de hele Gemeenschap geldende essentiële eisen dienen
te worden vastgesteld voor het transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem; Overwegende dat het, gezien de omvang en de complexiteit van het
transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem, om praktische redenen noodzakelijk
is gebleken dit in subsystemen onder te verdelen; dat voor elk van deze
subsystemen voor de hele Gemeenschap geldende essentiële eisen moeten worden
gedefinieerd, fundamentele parameters moeten worden vastgesteld en de voor de
naleving van de essentiële eisen vereiste technische specificaties moeten worden
bepaald, met name ten aanzien van onderdelen en interfaces; dat voor sommige
subsystemen (milieu, gebruikers en exploitatie) slechts technische specificaties
inzake interoperabiliteit worden opgesteld voor zover zulks noodzakelijk blijkt
om de interoperabiliteit te verzekeren op de gebieden infrastructuur, energie,
besturing en seingeving en rollend materieel; Overwegende dat de tenuitvoerlegging van de bepalingen betreffende de
interoperabiliteit van het transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem enerzijds
uit een kosten/batenoogpunt niet mag leiden tot ongerechtvaardigde belemmeringen
voor het behoud van de samenhang van het in elke Lid-Staat bestaande
spoorwegnet, doch dat daarbij anderzijds de doelstelling van het verkeer van
hoge-snelheidstreinen op het gehele grondgebied van de Gemeenschap dient te
worden gehandhaafd; Overwegende dat het voor de betrokken Lid-Staat mogelijk moet zijn bepaalde
technische specificaties inzake interoperabiliteit in bijzondere gevallen niet
toe te passen en dat procedures dienen te worden vastgesteld die ervoor zorgen
dat deze afwijkingen gerechtvaardigd zijn; dat artikel 129 C van het Verdrag
vereist dat bij het optreden van de Gemeenschap op het gebied van de
interoperabiliteit rekening wordt gehouden met de potentiële economische
levensvatbaarheid van de projecten; Overwegende dat, om te voldoen aan de relevante bepalingen inzake de
procedures voor het plaatsen van opdrachten in de spoorwegsector en met name aan
het bepaalde in Richtlijn 93/38/EEG (8), de aanbestedende diensten de technische
specificaties moeten vermelden in de algemene stukken of in het bestek voor elke
opdracht; dat een geheel van Europese specificaties tot stand dient te worden
gebracht waarnaar voor deze technische specificaties kan worden verwezen; Overwegende dat in Richtlijn 93/38/EEG onder Europese specificatie wordt
verstaan een gemeenschappelijke technische specificatie, een Europese technische
goedkeuring of een nationale norm waarin een Europese norm is omgezet; dat een
geharmoniseerde Europese norm in opdracht van de Commissie wordt vastgesteld
door een Europese normalisatie-instelling, namelijk de Europese Commissie voor
normalisatie (CEN), het Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie
(Cenelec) of het Europees normalisatie-instituut voor telecommunicatie (ETSI),
en dat de referentie daarvan wordt bekendgemaakt in het Publikatieblad van de
Europese Gemeenschappen; Overwegende het belang voor de Gemeenschap van een internationaal
normalisatiesysteem dat in staat is normen te produceren die door de
internationale handelspartners daadwerkelijk worden toegepast en die aan de
eisen van het Gemeenschapsbeleid voldoen; dat de Europese
normalisatie-instellingen derhalve hun samenwerking met de internationale
normalisatie-organisaties dienen voort te zetten; Overwegende dat de aanbestedende diensten de extra specificaties opstellen
die nodig zijn ter aanvulling van de Europese specificaties of andere normen;
dat door deze specificaties de naleving van de op Gemeenschapsniveau
geharmoniseerde essentiële eisen waaraan het transeuropees
hoge-snelheidsspoorwegsysteem moet voldoen, niet in het gedrang mag komen; Overwegende dat de procedures voor de beoordeling van de conformiteit of de
geschiktheid voor gebruik van de onderdelen gebaseerd moeten zijn op de modules
die zijn opgenomen in Besluit 93/465/EEG (9); dat, zoveel mogelijk, met het oog
op de ontwikkeling van de betrokken industrieën procedures moeten worden
ontwikkeld waarbij het kwaliteitsborgingssysteem wordt ingeschakeld; dat het
begrip onderdeel niet alleen materiële, maar ook immateriële objecten, zoals
programmatuur, dekt; Overwegende dat de geschiktheid voor gebruik moet worden beoordeeld van de
onderdelen die het meest kritiek zijn voor de veiligheid, de beschikbaarheid of
het doelmatig functioneren van het systeem; Overwegende dat de aanbestedende diensten in hun bestekken, met name voor
onderdelen, onder verwijzing naar de Europese specificaties de kenmerken
vaststellen die contractueel door de fabrikanten in acht moeten worden genomen;
dat de conformiteitseisen voor onderdelen derhalve hoofdzakelijk zijn afgestemd
op het toepassingsgebied ervan, om de interoperabiliteit van het systeem te
waarborgen, en niet alleen op het vrije verkeer ervan op de
Gemeenschapsmarkt; Overwegende dat het bijgevolg niet noodzakelijk is dat de fabrikant de
CE-markering op de onder deze richtlijn vallende onderdelen aanbrengt, maar dat,
uitgaande van de volgens de procedures van de richtlijn uitgevoerde beoordeling
van de conformiteit en/of de geschiktheid voor gebruik, een
conformiteitsverklaring van de fabrikant volstaat; dat dit de verplichting van
de fabrikanten om op bepaalde onderdelen de CE-markering aan te brengen ten
bewijze van de conformiteit daarvan met andere desbetreffende communautaire
bepalingen, onverlet laat; Overwegende dat de subsystemen die samen het transeuropees
hoge-snelheidsspoorwegsysteem vormen, aan een keuringsprocedure dienen te worden
onderworpen; dat deze keuring de bevoegde instanties die toestemming geven voor
de ingebruikneming daarvan in staat moet stellen zich ervan te vergewissen dat
in het ontwerpstadium, bij de aanleg en bij de ingebruikneming het resultaat
beantwoordt aan de geldende wettelijke, technische en operationele bepalingen;
dat zij tevens de constructeurs een gelijke behandeling moet waarborgen,
ongeacht het land; dat bijgevolg een module moet worden vastgesteld waarin de
beginselen en voorwaarden voor de EG-keuring van de subsystemen worden
omschreven; Overwegende dat de EG-keuringsprocedure gebaseerd is op de technische
specificaties inzake interoperabiliteit; dat deze laatste in opdracht van de
Commissie worden ontwikkeld door de gemeenschappelijke organisatie die de
infrastructuurbeheerders, de spoorwegmaatschappijen en de industrie
vertegenwoordigt; dat een verwijzing naar de technische specificaties inzake
interoperabiliteit verplicht is om de interoperabiliteit van het transeuropees
hoge-snelheidsspoorwegsysteem te waarborgen en dat deze technische specificaties
onder de toepassing van artikel 13 van Richtlijn 93/38/EEG vallen; Overwegende dat de aangemelde instanties die belast zijn met de afwikkeling
van de procedures voor de beoordeling van de conformiteit of de geschiktheid
voor gebruik van de onderdelen, alsmede van de keuringsprocedure voor de
subsystemen hun besluitvorming zo nauwkeurig mogelijk moeten coördineren, met
name wanneer Europese specificaties ontbreken; Overwegende dat in Richtlijn 91/440/EEG is bepaald dat de boekhouding van de
activiteiten met betrekking tot de exploitatie van de vervoerdiensten gescheiden
moet zijn van die van de activiteiten betreffende het beheer van de
spoorweginfrastructuur; dat het, in dezelfde geest, wenselijk is dat de
gespecialiseerde diensten van de beheerders van de spoorweginfrastructuur, die
eventueel als aangemelde instanties worden aangewezen, zodanig zijn opgezet dat
zij beantwoorden aan de voor deze instanties geldende criteria; dat andere
onafhankelijke gespecialiseerde instanties kunnen worden aangemeld wanneer zij
aan dezelfde criteria voldoen; Overwegende dat de interoperabiliteit van het transeuropees net voor het
hoge-snelheidsspoorwegsysteem een communautaire dimensie heeft; dat de
afzonderlijke Lid-Staten niet in staat zijn de nodige maatregelen te treffen om
deze interoperabiliteit tot stand te brengen; dat bijgevolg, uit hoofde van het
subsidiariteitsbeginsel, op communautair niveau actie moet worden
ondernomen, HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD: HOOFDSTUK I Algemene bepalingen Artikel 1 1. Deze richtlijn beoogt in overeenstemming met de artikelen 129 B en 129 C
van het Verdrag de voorwaarden vast te stellen waaraan moet worden voldaan om op
het grondgebied van de Gemeenschap de interoperabiliteit van het transeuropees
hoge-snelheidsspoorwegsysteem zoals omschreven in bijlage I te
verwezenlijken. 2. Deze voorwaarden betreffen het ontwerp, de bouw, de inrichting en de
exploitatie van de infrastructuur en het rollend materieel die bijdragen tot de
werking van dit systeem en die na de datum van inwerkingtreding van deze
richtlijn in gebruik zullen worden genomen. Artikel 2 In deze richtlijn wordt verstaan onder: a) transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem, het in bijlage I beschreven
geheel dat wordt gevormd door de spoorweginfrastructuur, met inbegrip van de
lijnen en de vaste installaties, van het transeuropese vervoersnet, die speciaal
is aangelegd of ingericht om met grote snelheid te worden bereden, alsmede door
het rollend materieel dat speciaal is ontworpen om op deze infrastructuur te
rijden; b) interoperabiliteit, de geschiktheid van het transeuropees
hoge-snelheidsspoorwegsysteem voor een veilig en ononderbroken verkeer van
hoge-snelheidstreinen, waarbij de gespecificeerde prestaties worden geleverd.
Deze geschiktheid berust op het geheel aan wettelijke, technische en
operationele voorwaarden die moeten worden vervuld om aan de essentiële eisen te
voldoen; c) subsysteem, het transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem wordt, zoals
in bijlage II aangegeven, onderverdeeld in structurele of functionele
subsystemen waarvoor essentiële eisen moeten worden gedefinieerd; d) interoperabiliteitsonderdeel, een basiscomponent, groep componenten, deel
van een samenstel of volledig samenstel van materieel die deel uitmaken of
bestemd zijn om deel uit te maken van een subsysteem en waarvan de
interoperabiliteit van het transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem direct of
indirect afhankelijk is; e) essentiële eisen, het geheel van de in bijlage III omschreven voorwaarden
waaraan het transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem, de subsystemen en de
interoperabiliteitsonderdelen moeten voldoen; f) Europese specificatie, een gemeenschappelijke technische specificatie, een
Europese technische goedkeuring of een nationale norm waarin een Europese norm
is omgezet, zoals gedefinieerd in artikel 1, punten 8 tot en met 12, van
Richtlijn 93/38/EEG; g) technische specificatie inzake interoperabiliteit, hierna genoemd "TSI",
de specificatie die voor elk subsysteem geldt teneinde aan de essentiële eisen
te voldoen door de noodzakelijke onderlinge functionele verbanden tussen de
subsystemen van het transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem tot stand te
brengen en de samenhang daarvan te verzekeren; h) representatieve gemeenschappelijke instantie, de instantie waarin
vertegenwoordigers van de beheerders van de infrastructuur, van de
spoorwegondernemingen en van de industrie verenigd zijn en die belast is met de
uitwerking van de TSI's. Onder "beheerders van de infrastructuur" worden de
beheerders verstaan die genoemd worden in de artikelen 3 en 7 van Richtlijn
91/440/EEG; i) aangemelde instanties, de instanties die belast zijn met de beoordeling
van de overeenstemming of de geschiktheid voor het gebruik van de
interoperabiliteitsonderdelen of met het onderzoek ten behoeve van de
EG-verificatieprocedure van de subsystemen. Artikel 3 1. Deze richtlijn heeft betrekking op de voorschriften, voor elk subsysteem,
inzake parameters, interoperabiliteitsonderdelen, interfaces en procedures,
alsmede op de voorwaarden voor algemene samenhang van het transeuropees
hoge-snelheidsspoorwegsysteem, die noodzakelijk zijn om de interoperabiliteit te
verwezenlijken. 2. De bepalingen van deze richtlijn gelden onverminderd andere relevante
communautaire bepalingen. In het geval van de interoperabiliteitsonderdelen kan
het echter voor het voldoen aan de essentiële eisen van deze richtlijn
noodzakelijk zijn gebruik te maken van daartoe vastgestelde bijzondere Europese
specificaties. Artikel 4 1. Het transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem, de subsystemen en de
interoperabiliteitsonderdelen moeten voldoen aan de desbetreffende essentiële
eisen. 2. De in artikel 18, lid 4, van Richtlijn 93/38/EEG bedoelde aanvullende
technische specificaties die noodzakelijk zijn ter aanvulling van de Europese
specificaties of de andere normen die in gebruik zijn in de Gemeenschap, mogen
niet in strijd zijn met de essentiële eisen. HOOFDSTUK II Technische specificaties inzake interoperabiliteit Artikel 5 1. Voor elk subsysteem geldt een TSI. Voor de subsystemen betreffende het
milieu, de exploitatie of de gebruikers wordt slechts een TSI opgesteld indien
zulks noodzakelijk blijkt om de interoperabiliteit van het transeuropees
hoge-snelheidsspoorwegsysteem te verzekeren op de gebieden infrastructuur,
energie, besturing en seingeving en rollend materieel. 2. De subsystemen moeten conform de TSI's zijn; deze conformiteit moet
tijdens het gebruik van elk subsysteem voortdurend worden gehandhaafd. 3. In de TSI's worden, indien nodig, met het oog op de totstandbrenging van
de interoperabiliteit van het transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem: a) de essentiële eisen voor de subsystemen en hun interfaces vastgelegd; b) de in bijlage II, punt 3, beschreven fundamentele parameters vastgesteld
die noodzakelijk zijn om aan de essentiële eisen te voldoen; c) de voorwaarden vastgesteld waaraan moet worden voldaan om de voor elk van
de hierna volgende categorieën lijnen gespecificeerde prestaties te
bereiken: - speciaal aangelegde hoge-snelheidslijnen, - speciaal voor hoge snelheden aangepaste lijnen, - speciaal voor hoge snelheden aangepaste lijnen met een specifiek karakter
vanwege topografische belemmeringen, het reliëf of de stedelijke bebouwing; d) eventuele nadere bepalingen vastgesteld die van toepassing zijn in
bepaalde specifieke gevallen; e) de interoperabiliteitsonderdelen en interfaces bepaald waarvoor Europese
specificaties moeten worden vastgesteld, waaronder de Europese normen die
noodzakelijk zijn om de interoperabiliteit van het transeuropees
hoge-snelheidsspoorwegsysteem met inachtneming van de essentiële eisen tot stand
te brengen; f) per geval de in Besluit 93/465/EEG opgenomen modules of, in voorkomend
geval, de specifieke procedures aangegeven die moeten worden gehanteerd voor de
beoordeling van hetzij de overeenstemming, hetzij de geschiktheid voor het
gebruik van interoperabiliteitsonderdelen, alsmede de EG-verificatie van de
subsystemen. 4. De TSI's vormen geen beletsel voor besluiten van de Lid-Staten over het
gebruik van nieuwe of aangepaste infrastructuur voor ander treinverkeer. 5. De naleving van het geheel van de TSI's zorgt ervoor dat een samenhangend
transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem tot stand wordt gebracht, dat de
samenhang van het bestaande spoorwegnet van elke Lid-Staat op passende wijze
onverlet laat. Artikel 6 1. De ontwerp-TSI's worden in opdracht van de Commissie - welke opdracht
wordt bepaald volgens de procedure van artikel 21, lid 2 - door de
representatieve gemeenschappelijke instantie opgesteld. De TSI's worden volgens
dezelfde procedure aangenomen en herzien. Zij worden door de Commissie in het
Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakt. 2. De representatieve gemeenschappelijke instantie wordt ermee belast de
herziening en de bijwerking van de TSI's voor te bereiden en aanbevelingen ter
zake aan het in artikel 21 bedoelde comité te doen, teneinde rekening te houden
met de ontwikkeling van de techniek en de maatschappelijke eisen. 3. Bij de opstelling, de aanneming en de herziening van de TSI's wordt
rekening gehouden met de te voorziene kosten van de technische oplossingen
waarmee aan de TSI's kan worden voldaan, teneinde de meest rendabele oplossingen
te bepalen en uit te voeren. Met het oog daarop voegt de representatieve
gemeenschappelijke instantie bij elke ontwerp-TSI een evaluatie van de te
verwachten kosten en baten van deze technische oplossingen voor alle betrokken
exploitanten en economische subjecten. 4. Het in artikel 21 bedoelde comité wordt door de representatieve
gemeenschappelijke instantie regelmatig op de hoogte gebracht van de
werkzaamheden in verband met het opstellen van de TSI's. Het comité kan ten
behoeve van deze instantie de nodige opdrachten of aanbevelingen formuleren
betreffende de opzet van de TSI's, op basis van de essentiële eisen, alsmede
betreffende de evaluatie van de kosten. 5. Bij de aanneming van elke TSI wordt volgens de procedure van artikel 21,
lid 2, de datum vastgesteld waarop deze van kracht wordt. 6. De representatieve gemeenschappelijke instantie verricht haar
werkzaamheden op een open en transparante wijze conform de algemene
communautaire normalisatieprocedures. Artikel 7 Het is een Lid-Staat in de volgende gevallen en onder de volgende voorwaarden
toegestaan bepaalde TSI's, ook met betrekking tot het rollend materieel, niet
toe te passen: a) voor een project voor een nieuwe lijn of de aanpassing van een bestaande
lijn met het oog op hoge-snelheidstreinverkeer, dat zich op het moment van de
bekendmaking van deze TSI's in een gevorderd stadium van ontwikkeling
bevindt. De betrokken Lid-Staat stelt de Commissie vooraf in kennis van zijn voornemen
af te wijken, brengt haar op de hoogte van de stand van het project en doet haar
een dossier toekomen met de TSI's of delen daarvan die hij niet toegepast wenst
te zien, de voorzieningen die hij bij de verwezenlijking van het project wil
treffen om de uiteindelijke interoperabiliteit daarvan te bevorderen, en de
technische, administratieve of economische redenen die deze afwijking
rechtvaardigen; b) voor een project voor de aanpassing van een bestaande lijn met het oog op
hoge-snelheidstreinverkeer, wanneer het profiel, de spoorwijdte of de
spoorafstand van deze lijn een andere waarde heeft dan die van het grootste deel
van het Europese spoorwegnet en wanneer deze lijn geen directe aansluiting heeft
op het hoge-snelheidsnet van een andere Lid-Staat dat van het transeuropees
hoge-snelheidsnet deel uitmaakt. De betrokken Lid-Staat stelt de Commissie vooraf in kennis van zijn voornemen
af te wijken en doet haar een dossier toekomen met de TSI's of delen daarvan die
betrekking hebben op de in de eerste alinea genoemde parameters die hij niet
toegepast wenst te zien, de voorzieningen die hij bij de verwezenlijking van het
project wil treffen om de uiteindelijke interoperabiliteit daarvan te
bevorderen, de overgangsmaatregelen waarmee de compatibiliteit van de
exploitatie kan worden gewaarborgd en de technische, administratieve en
economische redenen die deze afwijking rechtvaardigen; c) voor de projecten voor nieuwe lijnen of aanpassingen van bestaande lijnen
met het oog op hoge-snelheidstreinverkeer, die op het grondgebied van deze
Lid-Staat verwezenlijkt worden, wanneer zijn spoorwegnet is ingesloten of door
de zee van het hoge-snelheidsspoorwegnet van de rest van de Gemeenschap is
afgesloten. De betrokken Lid-Staat stelt de Commissie vooraf in kennis van zijn voornemen
af te wijken en doet haar een dossier toekomen met de onder b), tweede alinea,
bedoelde gegevens; d) voor een project voor de aanpassing van een bestaande lijn met het oog op
hoge-snelheidstreinverkeer, wanneer toepassing van de TSI's de economische
levensvatbaarheid van het project in het gedrang brengt. De betrokken Lid-Staat stelt de Commissie vooraf in kennis van zijn voornemen
af te wijken en doet haar een dossier toekomen met de TSI's of delen daarvan die
hij niet toegepast wenst te zien. De Commissie onderzoekt of de door de
Lid-Staat overwogen maatregelen gerechtvaardigd zijn en neemt een besluit
volgens de procedure van artikel 21, lid 2. HOOFDSTUK III Interoperabiliteitsonderdelen Artikel 8 De Lid-Staten nemen alle dienstige maatregelen opdat de
interoperabiliteitsonderdelen: - alleen op de markt worden gebracht indien zij de interoperabiliteit van het
transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem mogelijk maken door te voldoen aan
de essentiële eisen; - binnen hun toepassingsgebied worden gebruikt overeenkomstig hun bestemming
en naar behoren worden geïnstalleerd en onderhouden. Deze bepalingen vormen geen belemmering voor het op de markt brengen van deze
onderdelen voor andere toepassingen, noch voor het gebruik ervan voor
conventionele spoorlijnen. Artikel 9 De Lid-Staten kunnen niet uit hoofde van deze richtlijn het in de handel
brengen op hun grondgebied van interoperabiliteitsonderdelen met het oog op het
gebruik daarvan voor het transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem verbieden,
beperken of belemmeren, wanneer deze onderdelen aan de bepalingen van de
richtlijn voldoen. Artikel 10 1. De Lid-Staten beschouwen de interoperabiliteitsonderdelen als conform de
desbetreffende essentiële eisen van deze richtlijn, wanneer zij voorzien zijn
van de EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid voor gebruik, waarvan de
elementen zijn aangegeven in bijlage IV. 2. De overeenstemming van een interoperabiliteitsonderdeel met de
desbetreffende essentiële eisen wordt getoetst aan de relevante Europese
specificaties, indien deze bestaan. 3. De referenties van de Europese specificaties worden bekendgemaakt in het
Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. 4. De Lid-Staten maken de referenties bekend van de nationale normen waarin
Europese normen zijn omgezet. 5. Bij afwezigheid van Europese specificaties en onverminderd artikel 20, lid
5, stellen de Lid-Staten de overige Lid-Staten en de Commissie in kennis van de
voor de toepassing van de essentiële eisen gehanteerde normen en technische
specificaties. Artikel 11 Wanneer een Lid-Staat of de Commissie van mening is, dat bepaalde Europese
specificaties niet aan de essentiële eisen voldoen, kan volgens de procedure van
artikel 21, lid 2, en, wanneer het Europese normen betreft, na overleg met het
comité dat is ingesteld bij Richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983
betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische
voorschriften (10), worden besloten deze specificaties geheel of gedeeltelijk te
verwijderen uit de publikaties waarin zij zijn opgenomen, of ze te wijzigen. Artikel 12 1. Wanneer een Lid-Staat vaststelt dat een van de EG-verklaring van
conformiteit of geschiktheid voor gebruik voorzien interoperabiliteitsonderdeel
dat in de handel wordt gebracht en wordt gebruikt overeenkomstig zijn
bestemming, de naleving van de essentiële eisen in het gedrang dreigt te
brengen, neemt hij alle dienstige maatregelen om het toepassingsgebied van dat
onderdeel te beperken, het gebruik ervan te verbieden of het uit de handel te
nemen. De Lid-Staat stelt de Commissie onmiddellijk in kennis van de genomen
maatregelen en geeft de redenen van zijn besluit aan, en met name of het gebrek
aan conformiteit het gevolg is van: - het niet voldoen aan de essentiële eisen, - een gebrekkige toepassing van de Europese specificaties, voor zover de
toepassing van deze specificaties wordt aangehaald, - de ontoereikendheid van de Europese specificaties. 2. De Commissie pleegt zo spoedig mogelijk overleg met de betrokken partijen.
Wanneer de Commissie na dit overleg vaststelt dat de maatregel gerechtvaardigd
is, stelt zij de Lid-Staat die daartoe het initiatief heeft genomen, alsmede de
overige Lid-Staten, onmiddellijk daarvan in kennis. Wanneer de Commissie na dit
overleg vaststelt dat de maatregel niet gerechtvaardigd is, stelt zij de
Lid-Staat die daartoe het initiatief heeft genomen, alsmede de fabrikant of
diens in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde, onmiddellijk daarvan in kennis.
Indien de in lid 1 bedoelde beslissing wordt gemotiveerd onder verwijzing naar
een leemte in de Europese specificaties, dan wordt de procedure van artikel 11
toegepast. 3. Wanneer een interoperabiliteitsonderdeel dat voorzien is van de
EG-verklaring van conformiteit niet conform blijkt te zijn, neemt de bevoegde
Lid-Staat passende maatregelen ten aanzien van degene die de verklaring heeft
opgesteld en stelt hij de Commissie en de overige Lid-Staten daarvan in
kennis. 4. De Commissie ziet erop toe dat de Lid-Staten op de hoogte worden gehouden
van het verloop en de resultaten van deze procedure. Artikel 13 1. Voor de opstelling van de EG-verklaring van conformiteit of geschiktheid
voor gebruik van een interoperabiliteitsonderdeel moet de fabrikant of diens in
de Gemeenschap gevestigde gemachtigde de desbetreffende TSI's hanteren. 2. Wanneer de TSI's dit voorschrijven, wordt de beoordeling van de
conformiteit of de geschiktheid voor gebruik van een
interoperabiliteitsonderdeel uitgevoerd door de aangemelde instantie waarbij de
fabrikant of diens in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde daartoe een aanvraag
heeft ingediend. 3. Wanneer op interoperabiliteitsonderdelen andere communautaire richtlijnen
betreffende andere aspecten van toepassing zijn, geeft de EG-verklaring van
conformiteit of geschiktheid voor gebruik aan dat de betrokken
interoperabiliteitsonderdelen eveneens aan de eisen van die andere richtlijnen
voldoen. 4. Wanneer noch de fabrikant, noch diens in de Gemeenschap gevestigde
gemachtigde de in de leden 1, 2 en 3 genoemde verplichtingen heeft vervuld, gaan
deze verplichtingen over op een ieder die het interoperabiliteitsonderdeel in de
handel brengt. Dezelfde verplichtingen gelden, wat deze richtlijn betreft, voor
degene die interoperabiliteitsonderdelen van diverse herkomst of delen daarvan
assembleert dan wel voor eigen gebruik vervaardigt. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 12: a) is, wanneer door een Lid-Staat wordt geconstateerd dat de EG-verklaring
van conformiteit ten onrechte is opgesteld, de fabrikant of diens in de
Gemeenschap gevestigde gemachtigde verplicht het betrokken
interoperabiliteitsonderdeel in overeenstemming te brengen en een einde te maken
aan de inbreuk overeenkomstig de door die Lid-Staat gestelde voorwaarden; b) moet, wanneer het betrokken interoperabiliteitsonderdeel niet in
overeenstemming wordt gebracht, de Lid-Staat alle passende maatregelen nemen om
het in de handel brengen daarvan te beperken of te verbieden of het uit de
handel te laten nemen volgens de procedures van artikel 12. HOOFDSTUK IV Subsystemen Artikel 14 Het is aan elke Lid-Staat toestemming te geven voor de ingebruikneming van de
zich op zijn grondgebied bevindende of door aldaar gevestigde
spoorwegondernemingen geëxploiteerde subsystemen van structurele aard, die van
het transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem deel uitmaken. Te dien einde nemen de Lid-Staten alle dienstige maatregelen opdat deze
subsystemen alleen in gebruik kunnen worden genomen indien zij zodanig zijn
ontworpen, geconstrueerd en geïnstalleerd en/of zodanig worden geëxploiteerd dat
de inachtneming van de desbetreffende essentiële eisen niet in het gedrang komt
wanneer zij in het hoge-snelheidsspoorwegsysteem worden opgenomen. Artikel 15 Onverminderd artikel 19 kunnen de Lid-Staten niet uit hoofde van deze
richtlijn de constructie, de ingebruikneming en de exploitatie op hun
grondgebied van subsystemen van structurele aard die deel uitmaken van het
transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem en die aan de essentiële eisen
voldoen, verbieden, beperken of belemmeren. Artikel 16 1. De Lid-Staten beschouwen de van het transeuropees
hoge-snelheidsspoorwegsysteem deel uitmakende subsystemen van structurele aard
die zijn voorzien van de EG-keuringsverklaring als interoperabel en conform de
desbetreffende essentiële eisen. 2. De verificatie van de interoperabiliteit, met inachtneming van de
essentiële eisen, van een subsysteem van structurele aard dat deel uitmaakt van
het transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem, geschiedt aan de hand van de
TSI's, indien deze bestaan. 3. Bij afwezigheid van TSI's delen de Lid-Staten de overige Lid-Staten en de
Commissie de lijst van de voor de toepassing van de essentiële eisen gehanteerde
technische voorschriften mede. Artikel 17 Indien blijkt dat de TSI's niet geheel voldoen aan de essentiële eisen, kan
de kwestie op verzoek van een Lid-Staat of op initiatief van de Commissie aan
het in artikel 21 bedoelde comité worden voorgelegd. Artikel 18 1. Voor de opstelling van de EG-keuringsverklaring moet de aanbestedende
dienst of zijn gemachtigde de EG-keuringsprocedure doen inleiden door de
aangemelde instantie die hij daartoe heeft gekozen. 2. De taak van de met de EG-keuring van een subsysteem belaste aangemelde
instantie begint in het ontwerpstadium en bestrijkt de gehele constructieperiode
tot het stadium van de goedkeuring vóór de ingebruikneming van het
subsysteem. 3. De aangemelde instantie is verantwoordelijk voor de samenstelling van het
technische dossier waarvan de EG-keuringsverklaring vergezeld moet gaan. Dit
technische dossier moet alle nodige documenten betreffende de kenmerken van het
subsysteem bevatten, alsmede in voorkomend geval alle stukken waaruit de
conformiteit van de interoperabiliteitsonderdelen blijkt. Ook moet het alle
gegevens inzake de gebruiksvoorwaarden en -beperkingen, alsmede inzake de
voorschriften voor onderhoud, permanent of periodiek toezicht en afregeling
bevatten. Artikel 19 1. Indien een Lid-Staat constateert dat een subsysteem van structurele aard
dat voorzien is van de EG-keuringsverklaring, vergezeld van het technische
dossier, niet geheel aan de bepalingen van deze richtlijn en met name aan de
essentiële eisen voldoet, kan hij verzoeken dat aanvullende keuringen worden
uitgevoerd. 2. De Lid-Staat die dit verzoek heeft gedaan, stelt de Commissie
onmiddellijk, met opgaaf van redenen, van de gevraagde aanvullende keuringen in
kennis. De Commissie leidt onverwijld de procedure van artikel 21, lid 2,
in. HOOFDSTUK V Aangemelde instanties Artikel 20 1. De Lid-Staten delen de Commissie en de overige Lid-Staten mee welke
instanties met de uitvoering van de procedure voor de beoordeling van de
conformiteit of de geschiktheid voor gebruik, bedoeld in artikel 13, en de
keuringsprocedure, bedoeld in artikel 18, zijn belast onder vermelding van hun
respectieve bevoegdheden. De Commissie kent deze instanties een identificatienummer toe. De Commissie
maakt de lijst van deze instanties met hun respectieve identificatienummer
evenals hun bevoegdheden bekend in het Publikatieblad van de Europese
Gemeenschappen en draagt zorg voor de bijwerking van deze lijst. 2. De Lid-Staten moeten de in bijlage VII opgenomen criteria hanteren voor de
beoordeling van de aan te melden instanties. De instanties die voldoen aan de
beoordelingscriteria welke in de relevante Europese normen zijn opgenomen,
worden geacht aan de genoemde criteria te voldoen. 3. Indien een instantie niet meer voldoet aan de criteria van bijlage VII,
trekt de betrokken Lid-Staat de erkenning van die instantie in. Hij brengt de
Commissie en de overige Lid-Staten daarvan onverwijld op de hoogte. 4. Indien een Lid-Staat of de Commissie van oordeel is dat een door een
Lid-Staat aangemelde instantie niet voldoet aan de betreffende criteria, wordt
de kwestie voorgelegd aan het in artikel 21 bedoelde comité, dat binnen een
termijn van drie maanden advies uitbrengt; in het licht van het advies van het
comité brengt de Commissie de betrokken Lid-Staat op de hoogte van alle
wijzigingen die noodzakelijk zijn, opdat de aangemelde instantie de status die
haar is verleend, behoudt. 5. In voorkomend geval gebeurt de coördinatie van de aangemelde instanties
overeenkomstig artikel 21, lid 4. HOOFDSTUK VI Comité Artikel 21 1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité bestaande uit
vertegenwoordigers van de Lid-Staten en voorgezeten door de vertegenwoordiger
van de Commissie. 2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het comité een ontwerp voor van
de te nemen maatregelen. Het comité brengt binnen een termijn die de voorzitter
kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie advies uit over dit
ontwerp. Het comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in
artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de
besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij stemming
in het comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten
gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming
deel. De Commissie stelt de beoogde maatregelen vast wanneer zij in overeenstemming
zijn met het advies van het comité. Wanneer de beoogde maatregelen niet in overeenstemming zijn met het advies
van het comité of indien geen advies is uitgebracht, dient de Commissie
onverwijld bij de Raad een voorstel in betreffende de te nemen maatregelen. De
Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen. Indien de Raad, na verloop van een termijn van drie maanden na de indiening
van het voorstel bij de Raad, geen besluit heeft genomen, worden de voorgestelde
maatregelen door de Commissie vastgesteld, behalve wanneer de Raad zich met
gewone meerderheid van stemmen tegen genoemde maatregelen heeft
uitgesproken. 3. Het comité kan alle kwesties bespreken die betrekking hebben op de
interoperabiliteit van het transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem. 4. Het comité kan in voorkomend geval werkgroepen oprichten om zich te laten
assisteren bij de vervulling van zijn taken, met name met het oog op de
coördinatie van de aangemelde instanties. 5. Het comité wordt ingesteld zodra onderhavige richtlijn in werking
treedt. HOOFDSTUK VII Slotbepalingen Artikel 22 Elk krachtens deze richtlijn genomen besluit betreffende de beoordeling van
de conformiteit of de geschiktheid voor gebruik van
interoperabiliteitsonderdelen en de keuring van subsystemen die deel uitmaken
van het transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem, alsmede elk krachtens de
artikelen 11, 12, 17 en 19 genomen besluit wordt nauwkeurig met redenen omkleed.
Het wordt zo spoedig mogelijk aan de belanghebbende meegedeeld met vermelding
van de rechtsmiddelen die volgens de in de betrokken Lid-Staat geldende
wetgeving openstaan, alsmede van de termijnen waarbinnen deze rechtsmiddelen
moeten worden ingesteld. Artikel 23 1. De Lid-Staten stellen hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in
dier voege vast of wijzigen deze in dier voege dat uiterlijk 30 maanden na de
inwerkingtreding van deze richtlijn het gebruik van
interoperabiliteitsonderdelen en de ingebruikneming en exploitatie van
subsystemen die aan deze richtlijn voldoen, zijn toegestaan. Zij stellen de
Commissie hiervan onmiddellijk in kennis. 2. Wanneer de Lid-Staten de in lid 1 bedoelde bepalingen vaststellen, wordt
in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar
verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze
verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten. Artikel 24 De Commissie legt het Europees Parlement en de Raad om de twee jaar een
verslag voor over de vorderingen die met de interoperabiliteit van het
transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem zijn gemaakt. Artikel 25 Deze richtlijn treedt in werking op de eenentwintigste dag volgende op die
van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen. Artikel 26 Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten. Gedaan te Brussel, 23 juli 1996. Voor de Raad De Voorzitter I. YATES (1) PB nr. C 134 van 17. 5. 1994, blz. 6. (2) PB nr. C 397 van 31. 12. 1994, blz. 8. (3) PB nr. C 210 van 14. 8. 1995, blz. 38. (4) Advies van het Europees Parlement van 19 januari 1995 (PB nr. C 43 van
20. 2. 1995, blz. 60), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 8 december
1995 (PB nr. C 356 van 30. 12. 1995, blz. 43) en besluit van het Europees
Parlement van 16 april 1996 (PB nr. C 141 van 13. 5. 1996, blz. 48). (5) PB nr. C 33 van 8. 2. 1991, blz. 1. (6) PB nr. L 237 van 24. 8. 1991, blz. 25. (7) PB nr. L 175 van 5. 7. 1985, blz. 40. (8) Richtlijn 93/38/EEG van de Raad van 14 juli 1993 houdende coördinatie van
de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en
energievoorziening, vervoer en telecommunicatie (PB nr. L 199 van 9. 8. 1993,
blz. 84). Richtlijn gewijzigd bij de Toetredingsakte van 1994. (9) Besluit 93/465/EEG van de Raad van 22 juli 1993 betreffende de modules
voor de verschillende fasen van de overeenstemmingsbeoordelingsprocedures en de
voorschriften inzake het aanbrengen en het gebruik van de CE-markering van
overeenstemming (PB nr. L 220 van 30. 8. 1993, blz. 23). (10) PB nr. L 109 van 26. 4. 1983, blz. 8. Richtlijn laatstelijk gewijzigd
bij de Toetredingsakte van 1994. BIJLAGE I HET TRANSEUROPEES HOGE-SNELHEIDSSPOORWEGSYSTEEM 1. Infrastructuur a) De infrastructuren van het transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem
corresponderen met de infrastructuren van de in het kader van de in artikel 129
C van het Verdrag bedoelde richtsnoeren genoemde lijnen van het transeuropees
vervoersnet: - die speciaal zijn aangelegd om met hoge snelheid te worden bereden; - die speciaal zijn aangepast om met hoge snelheid te worden bereden. Deze kunnen verbindings- en aansluitingslijnen omvatten, met name
verbindingen van nieuwe of voor de hoge snelheid aangepaste lijnen met de
stations in de stadscentra, waarvoor bij de snelheden rekening moet worden
gehouden met de plaatselijke omstandigheden. b) Het hoge-snelheidsnet omvat: - de speciaal aangelegde hoge-snelheidslijnen, die zijn uitgerust voor
snelheden die gewoonlijk ten minste 250 km per uur bedragen; - de lijnen die speciaal zijn aangepast voor hoge snelheden en die zijn
uitgerust voor snelheden van ongeveer 200 km per uur; - de lijnen die speciaal zijn aangepast voor hoge snelheden en die een
specifiek karakter hebben omdat de snelheid per geval moet worden afgestemd op
topografische belemmeringen, het reliëf of de stedelijke bebouwing. 2. Rollend materieel De technologisch geavanceerde hoge-snelheidstreinen moeten zo zijn ontworpen
dat een veilige en ononderbroken dienst wordt gegarandeerd: - bij een snelheid van ten minste 250 km per uur op speciaal aangelegde
hoge-snelheidslijnen, waarbij onder geschikte omstandigheden snelheden boven de
300 km per uur kunnen worden bereikt; - bij een snelheid van ongeveer 200 km per uur op speciaal aangepaste
bestaande lijnen; - bij de hoogst mogelijke snelheid op de overige lijnen. 3. Samenhang van de infrastructuur en het rollend materieel Voor hoge-snelheidstreindiensten is het noodzakelijk dat de eigenschappen van
infrastructuur en rollend materieel uitermate coherent zijn. Van deze samenhang
zijn het niveau van de prestaties, de veiligheid, de kwaliteit en de kosten van
de diensten afhankelijk. BIJLAGE II SUBSYSTEMEN 1. Voor de toepassing van deze richtlijn kan het systeem dat het
transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem vormt, worden onderverdeeld in
subsystemen die overeenstemmen met: 1.1. gebieden van structurele aard: - infrastructuur, - energie, - besturing en seingeving, - rollend materieel; 1.2. gebieden van functionele aard: - onderhoud, - milieu, - exploitatie, - gebruikers. 2. Voor elk van de subsystemen wordt in de opdrachten die aan de
representatieve gemeenschappelijke instantie worden gegeven voor de uitwerking
van ontwerpen voor TSI's, de lijst opgenomen van de aspecten die verband houden
met de interoperabiliteit. Volgens artikel 6, lid 1, worden deze opdrachten bepaald overeenkomstig de
procedure van artikel 21, lid 2. De in de opdrachten opgenomen lijst van aspecten die met de
interoperabiliteit verband houden, wordt in voorkomend geval door de
representatieve gemeenschappelijke instantie gepreciseerd overeenkomstig het
bepaalde in artikel 5, lid 3, onder e). 3. Overeenkomstig artikel 5, lid 3, onder b), worden met name de volgende
elementen beschouwd als fundamentele parameters voor de verwezenlijking van de
interoperabiliteit: FUNDAMENTELE PARAMETERS - Minimumprofiel van de infrastructuur - Minimumboogstralen - Spoorwijdte - Maximumkrachten op het spoor - Minimumlengte van de perrons - Hoogte van de perrons - Voedingsspanning - Geometrie van de bovenleidingen - Eigenschappen van het ERTMS (1) - Belasting per as - Maximumlengte van de treinen - Profiel van het rollend materieel - Minimale remkarakteristieken - Elektrische grenskarakteristieken van het rollend materieel - Mechanische grenskarakteristieken van het rollend materieel - Exploitatiekarakteristieken in verband met de veiligheid van de treinen - Grenskarakteristieken in verband met het buitengeluid - Grenskarakteristieken in verband met externe trillingen - Grenskarakteristieken in verband met externe elektromagnetische
storingen - Grenskarakteristieken in verband met het binnengeluid - Grenskarakteristieken in verband met de klimaatregeling - Karakteristieken in verband met het vervoer van gehandicapten. (1) European Rail Traffic Management System. BIJLAGE III ESSENTIËLE EISEN 1. Algemene eisen 1.1. Veiligheid 1.1.1. Het ontwerp, de bouw of de fabricage, het onderhoud van en het
toezicht op voor de veiligheid kritieke inrichtingen en meer bepaald de bij het
treinverkeer betrokken onderdelen moeten de veiligheid waarborgen op het niveau
dat beantwoordt aan de voor het net gestelde doelstellingen, ook in de nader
omschreven situaties met beperkte werking. 1.1.2. De parameters die van invloed zijn op het contact tussen wiel en rail
moeten voldoen aan de criteria inzake rijstabiliteit die noodzakelijk zijn om
veilig verkeer bij de toegestane maximumsnelheid te waarborgen. 1.1.3. De gebruikte inrichtingen moeten tijdens hun gebruiksduur bestand zijn
tegen de normale of de nader omschreven uitzonderlijke belastingen. De gevolgen
van onverwachte storingen voor de veiligheid moeten met behulp van geschikte
middelen worden beperkt. 1.1.4. De vaste installaties en het rollend materieel moeten zodanig zijn
ontworpen en de gebruikte materialen moeten zodanig zijn gekozen dat bij brand
het ontstaan, de verspreiding en de gevolgen van vuur en rook zoveel mogelijk
worden beperkt. 1.1.5. Inrichtingen die zijn bestemd om door de gebruikers te worden bediend,
moeten zodanig zijn ontworpen dat de veiligheid van de gebruikers niet in gevaar
wordt gebracht wanneer de inrichtingen worden gebruikt op een wijze die wel te
voorzien is maar niet in overeenstemming is met de aangegeven methode. 1.2. Betrouwbaarheid en beschikbaarheid Het toezicht op en het onderhoud van de vaste of mobiele elementen die bij
het treinverkeer zijn betrokken, moeten zodanig worden georganiseerd, uitgevoerd
en gekwantificeerd dat de werking daarvan in te voorziene omstandigheden in
stand wordt gehouden. 1.3. Gezondheid 1.3.1. De materialen die, bij het beoogde gebruik, de gezondheid van de
personen die daartoe toegang hebben, in gevaar kunnen brengen, mogen niet
gebruikt worden in de treinen en de spoorweginfrastructuren. 1.3.2. Deze materialen moeten zodanig worden gekozen, aangewend en gebruikt
dat de emissie van rook of schadelijke en gevaarlijke gassen, met name bij
brand, wordt beperkt. 1.4. Bescherming van het milieu 1.4.1. Bij het ontwerpen van het transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem
moeten de gevolgen voor het milieu van de aanleg en exploitatie van dat systeem
worden beoordeeld en in aanmerking worden genomen overeenkomstig de geldende
Gemeenschapsbepalingen. 1.4.2. De in de treinen en de infrastructuren gebruikte materialen moeten de
emissie van rook of voor het milieu gevaarlijke en schadelijke gassen, met name
bij brand, voorkomen. 1.4.3. Het rollend materieel en de energievoorzieningssystemen moeten zodanig
zijn ontworpen en uitgevoerd dat zij uit elektromagnetisch oogpunt compatibel
zijn met de installaties, voorzieningen en openbare of particuliere netten
waarmee zij kunnen interfereren. 1.5. Technische compatibiliteit De technische eigenschappen van de infrastructuren en de vaste installaties
moeten onderling en met die van de treinen die op het transeuropees
hoge-snelheidsspoorwegsysteem rijden compatibel zijn. Wanneer het op bepaalde gedeelten van het net moeilijk is om deze technische
eigenschappen in acht te nemen, mogen tijdelijke oplossingen, waardoor de
compatibiliteit in de toekomst wordt gewaarborgd, ten uitvoer worden gelegd. 2. Bijzondere eisen voor elk subsysteem 2.1. Infrastructuur 2.1.1. Veiligheid Er moeten aangepaste maatregelen worden getroffen om de toegang tot of
ongewenste binnendringing in de installaties van spoorlijnen voor
hoge-snelheidsverkeer te voorkomen. Er moeten maatregelen worden getroffen om de gevaren voor personen te
beperken, met name in stations waar hoge-snelheidstreinen passeren. Infrastructuren die voor het publiek toegankelijk zijn, moeten zodanig zijn
ontworpen en uitgevoerd dat de gevaren voor de veiligheid van personen beperkt
zijn (stabiliteit, brand, toegang, ontruiming, perron, enz.). Er moeten passende maatregelen worden getroffen om rekening te houden met de
bijzondere veiligheidsomstandigheden in tunnels met een aanzienlijke lengte. 2.2. Energie 2.2.1. Veiligheid De werking van de energievoorzieningsinstallaties mag de veiligheid van
hoge-snelheidstreinen of personen (gebruikers, spoorwegpersoneel, aanwonenden en
derden) niet in gevaar brengen. 2.2.2. Bescherming van het milieu De werking van de energievoorzieningsinstallaties mag geen verstoring van het
milieu teweegbrengen die de aangegeven grenzen overschrijdt. 2.2.3. Technische compatibiliteit De stroomvoorzieningssystemen die op het transeuropees
hoge-snelheidsspoorwegsysteem worden gebruikt, moeten: - de treinen in staat stellen de opgegeven prestaties te verrichten; - compatibel zijn met de op de treinen gemonteerde
stroomafname-inrichtingen. 2.3. Besturing en seingeving 2.3.1. Veiligheid De besturings- en seingevingsinstallaties en -handelingen die voor het
transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem worden gebruikt, moeten treinverkeer
mogelijk maken op het veiligheidsniveau dat beantwoordt aan de doelstellingen
voor het net. 2.3.2. Technische compatibiliteit Nieuwe infrastructuren en nieuw rollend materieel voor hoge-snelheidsverkeer
die zijn ontwikkeld of gebouwd na de invoering van compatibele besturings- en
seinstelsels moeten aan de toepassing van deze systemen worden aangepast. Besturings- en seingevingsinstallaties in de stuurcabine van een trein moeten
een normale exploitatie in de opgegeven omstandigheden in het transeuropees
hoge-snelheidsspoorwegsysteem mogelijk maken. 2.4. Rollend materieel 2.4.1. Veiligheid De constructie van het rollend materieel en van de verbindingen tussen de
rijtuigen moet zodanig zijn ontworpen dat de ruimten voor de reizigers en de
bestuurder bij botsing of ontsporing beschermd zijn. De elektrische uitrusting mag de veilige werking van de besturings- en
seingevingsinstallaties niet in gevaar brengen. De remtechnieken en de uitgeoefende krachten moeten compatibel zijn met het
ontwerp van de sporen, de kunstwerken en de seinstelsels. Er moeten maatregelen worden getroffen met betrekking tot de toegang tot
onder spanning staande onderdelen, teneinde de veiligheid van personen niet in
gevaar te brengen. Er moeten inrichtingen zijn aangebracht die het mogelijk maken dat de
reizigers gevaren melden aan de bestuurder en dat het treinpersoneel bij gevaar
in contact kan treden met de bestuurder. De toegangsdeuren moeten van een systeem voor het openen en sluiten daarvan
zijn voorzien dat de veiligheid van de reizigers waarborgt. Er moet in nooduitgangen en in de aanduiding daarvan zijn voorzien. Er moeten passende maatregelen worden getroffen om rekening te houden met de
bijzondere veiligheidsomstandigheden in tunnels met een aanzienlijke lengte. Een noodverlichtingssysteem van voldoende sterkte en met voldoende eigen
voeding is verplicht aan boord van de treinen. De treinen moeten zijn voorzien van een geluidsinstallatie waarmee het
treinpersoneel en de verkeersleiding berichten kunnen doorgeven aan de
passagiers. 2.4.2. Betrouwbaarheid en beschikbaarheid Het ontwerp van de vitale rij-, tractie-, rem- en besturingsuitrusting moet
het mogelijk maken dat de trein in een nader omschreven situatie met beperkte
werking de reis voortzet zonder nadelige gevolgen voor de uitrusting die nog
functioneert. 2.4.3. Technische compatibiliteitDe elektrische uitrusting moet compatibel
zijn met de werking van de besturings- en seingevingsinstallaties. De eigenschappen van de stroomafname-inrichtingen moeten het treinverkeer met
de verschillende energievoorzieningssystemen van het transeuropees
hoge-snelheidsspoorwegsysteem mogelijk maken. De eigenschappen van het rollend materieel moeten het rijden op alle lijnen
waarop de exploitatie ervan is gepland, mogelijk maken. 2.5. Onderhoud 2.5.1. Gezondheid De technische installaties en de methoden die in de onderhoudscentra worden
toegepast, mogen geen gevaar voor de gezondheid van personen inhouden. 2.5.2. Bescherming van het milieu De technische installaties en de methoden die in de onderhoudscentra worden
toegepast, mogen het toegestane niveau van schadelijke gevolgen voor het
omgevingsmilieu niet overschrijden. 2.5.3. Technische compatibiliteit De onderhoudsinstallaties voor hoge-snelheidstreinen moeten het mogelijk
maken op alle treinen de veiligheids-, hygiëne- en comfortbehandelingen te
verrichten waarvoor zij zijn ontworpen. 2.6. Milieu 2.6.1. Gezondheid Bij de exploitatie van het transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem moet
worden voldaan aan de voorgeschreven niveaus inzake geluidshinder. 2.6.2. Bescherming van het milieu De exploitatie van het transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem mag in de
bodem geen trillingsniveau veroorzaken dat ontoelaatbaar is voor de activiteiten
en het milieu in de nabijheid van de infrastructuur in normale
onderhoudstoestand. 2.7. Exploitatie 2.7.1. Veiligheid Het op elkaar afstemmen van de exploitatievoorschriften van de netten en de
kwalificatie van de bestuurders en het treinpersoneel moeten een veilige
internationale exploitatie waarborgen. De periodieke onderhoudsbeurten, de opleiding en de kwalificatie van het
onderhoudspersoneel en het kwaliteitsborgingssysteem dat in de onderhoudscentra
van de betrokken exploitanten is opgezet, moeten een hoog veiligheidsniveau
waarborgen. 2.7.2. Betrouwbaarheid en beschikbaarheid De periodieke onderhoudsbeurten, de opleiding en de kwalificatie van het
onderhoudspersoneel en het kwaliteitsborgingssysteem dat door de betrokken
exploitanten in de onderhoudscentra is opgezet, moeten een hoog niveau van
betrouwbaarheid en beschikbaarheid van het systeem waarborgen. 2.7.3. Technische compatibiliteit Het op elkaar afstemmen van de exploitatievoorschriften van de netten,
alsmede de kwalificatie van de bestuurders, het treinpersoneel en de
verkeersleiding moeten de doeltreffendheid van de exploitatie op het
transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem waarborgen. BIJLAGE IV INTEROPERABILITEITSONDERDELEN EG-verklaring - van conformiteit - van geschiktheid voor gebruik 1. Interoperabiliteitsonderdelen De EG-verklaring geldt voor de in artikel 3 bedoelde
interoperabiliteitsonderdelen die van belang zijn voor de interoperabiliteit van
het transeuropees hoge-snelheidsspoorwegsysteem. Deze
interoperabiliteitsonderdelen kunnen de vorm aannemen van: 1.1. onderdelen voor algemeen gebruik. Dit zijn onderdelen die niet specifiek zijn ontworpen voor het
spoorwegsysteem en die in ongewijzigde vorm voor andere toepassingen kunnen
worden gebruikt; 1.2. onderdelen voor algemeen gebruik met specifieke eigenschappen. Dit zijn onderdelen die niet specifiek voor het spoorwegsysteem zijn
ontworpen, maar die specifieke prestaties moeten leveren bij gebruik in de
spoorwegsector; 1.3. specifieke onderdelen. Dit zijn onderdelen die specifiek zijn ontworpen voor
spoorwegtoepassingen. 2. Toepassingsgebied De EG-verklaring heeft betrekking op: - hetzij de beoordeling, door (een) aangemelde instantie(s), van de
intrinsieke conformiteit van een op zichzelf beschouwd interoperabiliteitsdeel
met de technische specificaties waaraan het moet voldoen; - hetzij de beoordeling/waardering, door (een) aangemelde instantie(s), van
de geschiktheid voor gebruik van een binnen de spoorwegsector beschouwd
interoperabiliteitsdeel, met name wanneer dit van belang is voor interfaces, aan
de hand van de technische specificaties, in het bijzonder van functionele aard,
waarvan de inachtneming moet worden nagegaan. Bij de beoordelingsprocedures die door de aangemelde instanties zowel in het
ontwerp- als in het produktiestadium worden gevolgd, wordt gebruik gemaakt van
de in Besluit 90/683/EEG opgenomen modules volgens de voorschriften van de
TSI. 3. Inhoud van de EG-verklaring De EG-verklaring van conformiteit of van geschiktheid voor gebruik, alsmede
de bijgevoegde documenten, moeten gedateerd en ondertekend worden. Deze verklaring moet worden opgesteld in dezelfde taal als de handleiding en
moet de volgende gegevens bevatten: - de referenties van de richtlijn; - naam en adres van de fabrikant of diens in de Gemeenschap gevestigde
gemachtigde (firmanaam en volledig adres en, wanneer het een gemachtigde
betreft, ook de firmanaam van de fabrikant of constructeur); - beschrijving van het interoperabiliteitsdeel (merk, type, enz.); - omschrijving van de voor de opstelling van de verklaring van conformiteit,
respectievelijk geschiktheid voor gebruik, gevolgde procedure (artikel 13); - alle relevante beschrijvingen waaraan het interoperabiliteitsdeel
beantwoordt en met name de gebruiksvoorwaarden; - naam en adres van de aangemelde instantie(s) die is (zijn) betrokken bij de
voor de beoordeling van de conformiteit, respectievelijk de geschiktheid voor
gebruik, gevolgde procedure en datum van het onderzoekcertificaat, in voorkomend
geval met vermelding van de geldigheidsduur en van de voorwaarden waaronder het
certificaat geldig is; - in voorkomend geval, de referentie van de Europese specificaties; - de identiteit van de ondertekenaar aan wie de bevoegdheid is verleend om,
namens de fabrikant of diens in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde,
verplichtingen aan te gaan. BIJLAGE V SUBSYSTEMEN EG-KEURINGSVERKLARING De EG-keuringsverklaring en de bijgevoegde documenten moeten gedateerd en
ondertekend worden. Deze verklaring moet in dezelfde taal als die van het technische dossier
worden opgesteld en moet de volgende gegevens bevatten: - de referenties van de richtlijn; - naam en adres van de aanbestedende dienst of diens in de Gemeenschap
gevestigde gemachtigde (firmanaam en volledig adres en, wanneer het een
gemachtigde betreft, ook de firmanaam van de aanbestedende dienst); - een beknopte beschrijving van het subsysteem; - naam en adres van de aangemelde instantie die de in artikel 18 bedoelde
EG-keuring heeft uitgevoerd; - de referenties van de documenten in het technische dossier; - alle voorlopige of definitieve relevante bepalingen waaraan het subsysteem
moet voldoen, met name, in voorkomend geval, exploitatiebeperkingen of
-voorwaarden; - de geldigheidsduur van de EG-verklaring, indien deze voorlopig is; - de identiteit van de ondertekenaar. BIJLAGE VI SUBSYSTEMEN EG-KEURING 1. De EG-keuring is de procedure volgens welke een aangemelde instantie, op
verzoek van de aanbestedende dienst of zijn in de Gemeenschap gevestigde
gemachtigde, nagaat en verklaart dat een subsysteem: - in overeenstemming is met de bepalingen van de richtlijn, - in overeenstemming is met de overige wettelijke bepalingen die met
inachtneming van het Verdrag worden toegepast, en dat het in gebruik mag worden
genomen. 2. De keuring van het subsysteem omvat de volgende stadia: - algemeen ontwerp; - constructie van het subsysteem, met name de uitvoering van civieltechnische
werken, de montage van onderdelen en de afregeling van het geheel; - beproeving van het voltooide subsysteem. 3. De voor de EG-keuring verantwoordelijke aangemelde instantie stelt de
conformiteitsverklaring op, die bestemd is voor de aanbestedende dienst of zijn
in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde; deze stelt op zijn beurt de
EG-keuringsverklaring op, die bestemd is voor de bevoegde instantie van de
Lid-Staat waar het subsysteem geïnstalleerd en/of geëxploiteerd wordt. 4. Het technische dossier bij de keuringsverklaring moet de volgende stukken
bevatten: - voor infrastructuur: plannen van de werken, processen-verbaal van de
oplevering van het grondwerk en de betonwapening, rapporten over de beproeving
en de controle van het beton; - voor andere subsystemen: algemene en detailplannen zoals die worden
uitgevoerd, elektrische en hydraulische schema's, schema's van de
besturingscircuits, een beschrijving van de geautomatiseerde systemen,
handleidingen voor bediening en onderhoud, enz.; - een lijst van de interoperabiliteitsonderdelen, zoals bedoeld in artikel 3,
die in het subsysteem zijn verwerkt; - kopieën van de EG-verklaringen van conformiteit of geschiktheid voor
gebruik, waarvan genoemde onderdelen krachtens artikel 13 voorzien moeten zijn,
in voorkomend geval vergezeld van de desbetreffende berekeningen en van een
kopie van de processen-verbaal van de proeven en onderzoeken die op basis van de
gemeenschappelijke technische specificaties door de aangemelde instanties zijn
uitgevoerd; - een verklaring van de met de EG-keuring belaste aangemelde instantie, dat
het project in overeenstemming is met de bepalingen van deze richtlijn,
vergezeld van de door haar geviseerde desbetreffende berekeningen, met
vermelding van een eventueel tijdens de uitvoering van de werkzaamheden gemaakt
voorbehoud dat niet is ingetrokken, en vergezeld van de inspectie- en
auditrapporten die zij in het kader van haar opdracht heeft opgesteld, zoals
nader aangegeven in de hierna volgende punten 5.3 en 5.4. 5. Toezicht 5.1. Het doel van het EG-toezicht is na te gaan of tijdens de
totstandbrenging van het subsysteem de uit het technische dossier voortvloeiende
verplichtingen zijn vervuld. 5.2. De met het toezicht belaste aangemelde instantie moet permanent toegang
hebben tot bouwplaatsen, constructiewerkplaatsen, opslagplaatsen, eventuele
lokaties voor prefabricage, beproevingsinstallaties en meer in het algemeen alle
plaatsen die zij noodzakelijk acht voor de vervulling van haar taak. De
aanbestedende dienst of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde moet haar
alle documenten die daarbij van nut kunnen zijn, met name de plannen voor de
uitvoering van en de technische documentatie met betrekking tot het subsysteem,
toezenden of laten toezenden. 5.3. De met het toezicht belaste aangemelde instantie voert periodiek audits
uit om na te gaan of de bepalingen van de richtlijn worden nageleefd, waarna zij
een auditverslag voorlegt aan de met de uitvoering belaste bedrijven. Zij kan
eisen uitgenodigd te worden voor bepaalde fasen van de werkzaamheden. 5.4. Daarnaast kan de aangemelde instantie onaangekondigde bezoeken brengen
aan de bouwplaats of de constructiewerkplaatsen. Bij deze bezoeken kan de
aangemelde instantie volledige of gedeeltelijke audits uitvoeren. Zij legt een
verslag van deze bezoeken en in voorkomend geval een auditverslag voor aan de
met de uitvoering belaste bedrijven. 6. Het volledige in punt 4 bedoelde dossier wordt ter staving van de
conformiteitsverklaring die is afgegeven door de met de keuring van het
bedrijfsklare subsysteem belaste aangemelde instantie, ingediend bij de
aanbestedende dienst of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde. Het
dossier wordt gevoegd bij de EG-keuringsverklaring die de aanbestedende dienst
aan de bevoegde instantie van de betrokken Lid-Staat doet toekomen. Een kopie van het dossier wordt door de aanbestedende dienst bewaard
gedurende de hele levensduur van het subsysteem. Andere Lid-Staten kunnen
desgewenst inzage krijgen in het dossier. 7. Iedere aangemelde instantie publiceert periodiek alle relevante informatie
over: - de ontvangen aanvragen om EG-keuringen; - de afgegeven conformiteitsverklaringen; - de geweigerde conformiteitsverklaringen. 8. De dossiers en briefwisseling met betrekking tot de EG-keuringsprocedures
worden gesteld in een officiële taal van de Lid-Staat waar de aanbestedende
dienst of zijn gemachtigde in de Gemeenschap is gevestigd, dan wel in een door
de aanbestedende dienst aanvaarde taal. BIJLAGE VII DOOR DE LID-STATEN IN ACHT TE NEMEN MINIMUMCRITERIA BIJ DE AANMELDING VAN
INSTANTIES 1. De instantie, de directeur daarvan en het met de keuring belaste personeel
mogen bij het ontwerp, de fabricage, de constructie, de verkoop of het onderhoud
van de interoperabiliteitsonderdelen of subsystemen en bij de exploitatie noch
rechtstreeks, noch als gemachtigden optreden. Uitwisseling van technische
informatie tussen de fabrikant of constructeur en de instantie wordt door deze
bepaling niet uitgesloten. 2. De instantie en het personeel dat met de controle is belast, dienen de
proeven met de grootste beroepsintegriteit en technische bekwaamheid uit te
voeren. Zij dienen vrij te zijn van elke pressie en beïnvloeding, met name van
financiële aard, die hun beoordeling of de uitkomst van de controle kan
beïnvloeden, inzonderheid door personen of groepen die bij de resultaten van de
keuring belang hebben. 3. De instantie dient te beschikken over het nodige personeel en de nodige
middelen te bezitten om de met de uitvoering van de keuringen verbonden
technische en administratieve taken op passende wijze te vervullen; tevens dient
de instantie toegang te hebben tot het nodige materiaal voor bijzondere
keuringen. 4. Het personeel dat met de controle is belast, dient: - een goede technische en vakopleiding te hebben; - een voldoende kennis te bezitten van de voorschriften betreffende de
controles die het verricht, en voldoende ervaring met deze controles te
hebben; - de vereiste bekwaamheid te bezitten om op basis van de verrichte controles
de nodige verklaringen, processen-verbaal en verslagen op te stellen. 5. De onafhankelijkheid van het personeel dat met de controle wordt belast,
dient te zijn gewaarborgd. De bezoldiging van elke functionaris mag niet
afhangen van het aantal controles dat hij verricht, noch van de uitslag van de
controles. 6. De instantie dient een verzekering tegen wettelijke aansprakelijkheid te
sluiten, tenzij deze aansprakelijkheid op basis van het nationale recht door de
Staat wordt gedekt, c.q. de controles rechtstreeks door de Lid-Staat worden
verricht. 7. Het personeel van de instantie is gebonden door het beroepsgeheim ten
aanzien van alles wat het verneemt bij de uitoefening van zijn taken in het
kader van deze richtlijn of van de bepalingen van intern recht die daaraan
uitvoering geven (behalve tegenover de ter zake bevoegde overheidsinstanties van
de Staat waarin de instantie haar werkzaamheden uitoefent).